gezag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zag
enkelvoud meervoud
naamwoord gezag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezag o

  1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
    Hij heeft niet voldoende gezag om dat voorstel aan te nemen.
  2. aanzien.
    Het gezag van een voetbaltrainer is vaak bepalend voor zijn succes.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen