gezag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·zag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gezag | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
gezag o
- bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
- Hij heeft niet voldoende gezag om dat voorstel aan te nemen.
- aanzien.
- Het gezag van een voetbaltrainer is vaak bepalend voor zijn succes.