beëindigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ein·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van einde met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig of afgeleid van eindig met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beëindigen
beëindigde
beëindigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beëindigen

  1. (overgankelijk) tot een einde brengen
    De scheidsrechter beëindigde de wedstrijd omdat er rellen waren uitgebroken op de tribune.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen