slopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- slo·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| slopen |
sloopte |
gesloopt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
slopen
- een structuur ontmantelen, afbreken
- Deze auto kan beter gesloopt worden.
- fysiek uitputten
- Na de hardloopwedstrijd was ik gesloopt.
Vertalingen
1. een structuur ontmantelen, afbreken
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| sluipen |
slopen
- meervoud verleden tijd van sluipen
- Wij slopen.
- Jullie slopen.
- Zij slopen.
- Wij slopen.
Zelfstandig naamwoord
slopen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sloop