breken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bre·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| breken |
brak |
gebroken |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
breken
- (ergatief) (algemeen) in stukken uiteenvallen
- De ruit is vanmiddag gebroken.
- (ergatief) een doorgang, scheiding forceren
- (ergatief) (van de jongensstem) wisselen
- In de puberteit breekt de jongensstem
- (ergatief) (natuurkunde) (optica) veranderen van richting van stralen
- (overgankelijk) in stukken uiteen doen vallen
- Vanmiddag brak een hevige windvlaag de ruit van de voorkamer.
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
- breken met
Vertalingen
1. in stukken uiteenvallen
4. veranderen van richting van stralen