aangekleed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- aan·ge·kleed
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | aangekleed |
| verbogen | aangeklede |
Bijvoeglijk naamwoord
aangekleed
- met kleren aan
Spreekwoorden
- een aangeklede boterham: een boterham met veel beleg
- een aangeklede borrel: een borrelfeestje met hapjes
- aangekleed gaat uit! : over iemand die zich overdreven mooi heeft gemaakt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aankleden |
aangekleed
- voltooid deelwoord van aankleden