zwever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwe·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van zweven met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord zwever zwevers
verkleinwoord zwevertje zwevertjes

Zelfstandig naamwoord

zwever m

  1. een obstakel in een rivier dat water doorlaat
  2. iemand die zich weinig in de realiteit bevindt, een zweefkees of zweefteef
  3. zweefvliegtuig
  4. zweefmolen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.