zuiging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zui·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zuiging zuigingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zuiging v [1]

  1. stroming van lucht of water in de richting van een bewegend object
    • Springen van de brug of de nieuwe keersluis is levensgevaarlijk, aldus de politie. Het kanaal wordt drukbevaren, waardoor zuiging en stroming in het water ontstaat. [2] 
    • Schippers van vrachtschepen torenen hoog boven het water uit en zien een zwemmer in de rivier niet. Door de scheepvaart ontstaat een sterke zuiging in het water die zelfs sterke zwemmers onder water sleurt. [3] 
    • De snelheid van de aankomende trein zorgde voor een sterke zuiging waardoor Ruud Bijsterveld bij het passeren van de trein met fatale gevolgen tegen de zijkant van het locomotiefdeel werd gezogen. [4] 
    • Met het record kwam vanzelfsprekend ook de adrenalinekick. ,,Het gevoel om zo hard te schaatsen en over die bobbels te vliegen, was zó vet. Je moet je voorstellen dat ik in Thialf, op het beste ijs ter wereld, tot 60 kilometer per uur kom. Ik ging hier meer dan 50 procent harder. De zuiging van dat windscherm is enorm. Toen het einde van de baan in zicht was, had ik ook echt alles gegeven. Dit was in één woord ongelooflijk.” [5] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.


Verwijzingen