zuigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
zuigen zuigend
zog gezogen
zuiging
zuigeling
zuiger
Uitspraak
Woordafbreking
  • zui·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘(met de mond) naar zich toe trekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zuigen
zoog
gezogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

zuigen

  1. een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat
    • Deze machines zuigen aan de bovenkant warme lucht aan. 
  2. (informeel) doorgaand treiteren, telkens opnieuw beginnen over iets met de bedoeling iemand anders kwaad te maken
    • Zit niet zo te zuigen! 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen