ongesteldheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·steld·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ongesteldheid ongesteldheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ongesteldheid v [1]

  1. dat gedeelte van de menstruatiecyclus waarin de verdikte wand van de baarmoeder, het endometrium, dat klaargemaakt was om een embryo op te vangen, wordt opgeruimd om voor de volgende ovulatie opnieuw te kunnen worden opgebouwd
    • Amber Gordon, oprichter van het antiseksismeblog Femsplain, voelde zich zaterdag niet zo lekker. Toevallig was ze ongesteld toen Trumps opmerking haar ter ore kwam. ,,Gebruik je haar ongesteldheid om te beledigen?", omschreef Gordon haar verontwaardiging tegen Mashable. [2] 
    • Heftig is ook haar eigen verhaal. Rond haar 16e wordt Annet voor het eerst ongesteld. "Redelijk laat voor een meisje, ik was er blij mee." Die blijdschap duurt niet lang. "Als ik menstrueerde, ging ik regelmatig 'nokkie'. Dan viel ik flauw van de pijn. Ook kampte ik met veel bloedverlies. En elke keer had ik er een week last van. [3] 
    • Bij de interviews bleek het bovendien helemaal niet goed te gaan met de atlete, ze zakte zelfs even in elkaar van de pijn. Vervolgens stond ze recht, verontschuldigde zich bij haar landgenoten voor haar slechte resultaat en richtte zich tot de camera. “Ik heb geen last van mijn maag of zo, ik ben vannacht ongesteld geworden. Ik ben echt enorm moe. Maar dat mag geen excuus zijn, ik heb gewoon niet goed genoeg gezwommen”, vertelde ze. [4] 
  2. een lichte ziekte
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen