zanik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·nik

Werkwoord

vervoeging van
zaniken

zanik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaniken
    • Ik zanik. 
  2. gebiedende wijs van zaniken
    • Zanik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zaniken
    • Zanik je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord zanik zaniken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zanik v/m

  1. iemand die hinderlijk ergens over blijft klagen.
    • Een zanik is een hinderlijk persoon. 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.