watten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wat·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘verbandmiddel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1655 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord - watten
verkleinwoord watje watjes

Zelfstandig naamwoord

watten mv

  1. (medisch) ongesponnen katoen of een synthetische vervanging daarvan bedoeld voor het aanbrengen op wonden
    • Hij bracht eerst wat watten aan en vervolgens wat steriel gaas en wat pleisters. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand in de watten leggen
iemand overdreven goed behandelen, verwennen
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen watten

Bijvoeglijk naamwoord

watten

  1. van ongesponnen katoen of een synthetische vervanging daarvan vervaardigd
    • Het vest was voorzien van een watten voering. 
  2. overdrachtelijk beneveld, onhelder
    • De volgende morgen stond hij op met een watten hoofd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen