watten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wat·ten
enkelvoud meervoud
naamwoord - watten
verkleinwoord watje watjes

Zelfstandig naamwoord

watten mv

  1. (medisch) ongesponnen katoen of een synthetische vervanging daarvan bedoeld voor het aanbrengen op wonden
    Hij bracht eerst wat watten aan en vervolgens wat steriel gaas en wat pleisters.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand in de watten leggen
iemand overdreven goed behandelen, verwennen
Vertalingen

Meer informatie

stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen watten

Bijvoeglijk naamwoord

watten

  1. van ongesponnen katoen of een synthetische vervanging daarvan vervaardigd
    Het vest was voorzien van een watten voering.
  2. overdrachtelijk beneveld, onhelder
    De volgende morgen stond hij op met een watten hoofd.