vervullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·vul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vervullen
vervulde
vervuld
zwak -d volledig

Werkwoord

vervullen

  1. ditransitief het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
    Hij vervulde daarmee wat hij eerder toegezegd had.
  2. overgankelijk geheel vullen of doortrekken
    De heerlijke geur vervulde het gehele gebouw.
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.