verstoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sto·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verstoren
verstoorde
verstoord
zwak -d volledig

Werkwoord

verstoren

  1. (overgankelijk) uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
    Tijdens het examen werden de kandidaten verstoord doordat er een brandalarm afging.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.