verstoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sto·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verstoren
verstoorde
verstoord
zwak -d volledig

Werkwoord

verstoren

  1. (overgankelijk) uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
    Tijdens het examen werden de kandidaten verstoord doordat er een brandalarm afging.
Vertalingen