verstoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sto·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verstoren
verstoorde
verstoord
zwak -d volledig

Werkwoord

verstoren

  1. overgankelijk uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
    • Tijdens het examen werden de kandidaten verstoord doordat er een brandalarm afging. 
  2. overgankelijk de kalmte of rust verbreken
    • Gooi een steen in een meer. Het effect is niet alleen zichtbaar, maar ook veel langduriger. De steen zal de stille wateren verstoren. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Shafak, Elif Liefde kent veertig regels vertaald uit het Turks door Smits, Manon [2011] ISBN 978-90-445-1742-2 pagina 9