veroorloven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·oor·lo·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord oorloven met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
veroorloven
veroorloofde
veroorloofd
zwak -d volledig

Werkwoord

veroorloven

  1. wederkerend zich ~ zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
    • Hij kon zich niet meer veroorloven op vakantie te gaan. 
  2. wederkerend zich ~ niet schromen een bepaald gedrag te vertonen
    • De vrijpostigheden die hij zich veroorloofde vielen niet bepaald in goede aarde. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.