permitteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·mit·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toestaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
permitteren
permitteerde
gepermitteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

permitteren

  1. toestaan, permissie geven
    • Op de laatste schooldag permitteerde de leraar dat de scholieren veel lawaai maakten in de klas. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen