verbruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bruik
enkelvoud meervoud
naamwoord verbruik -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verbruik o

  1. hoeveel datgene vermindert wat je nodig hebt voor een bepaald nut, bijvoorbeeld de gebruikte brandstof om een bepaalde afstand af te leggen
    Wat is het verbruik van jouw auto?
  2. de totale verbruikte hoeveelheid
    Vorige maand had ik een verbruik van 126 kWu elektriciteit.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verbruiken

verbruik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verbruiken
    Ik verbruik.
  2. gebiedende wijs van verbruiken
    Verbruik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verbruiken
    Verbruik je?