veelvuldigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veel·vul·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veelvuldigheid veelvuldigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

veelvuldigheid v [1]

  1. het grote aantal
    • Dat de verdachte en zijn partner vaak seks met elkaar hadden, maakte het besmettingsrisico wel iets hoger, stelt de raad, maar die veelvuldigheid kan niet worden aangemerkt als een bijzondere, risicoverhogende omstandigheid. [2] 


Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen