uitstedig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ste·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen uitstedig
verbogen uitstedige
partitief uitstedigs

Bijvoeglijk naamwoord

uitstedig [1]

  1. buiten de stad
  2. afwezig
     Bij de inhuldiging van Juliana meldde de halve fractie van de Communistische Partij Nederland (CPN) zich af. Fractievoorzitter Gerben Wagenaar was 'uitstedig', een ander was in het buitenland, een derde kon niet komen 'wegens ongesteldheid'. De vierde afwezige gaf niet aan waarom hij niet kwam.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Gewetensbezwaarden bleven thuis” (19-03-2013), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be