uitslapen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·sla·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitslapen
sliep uit
uitgeslapen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitslapen

  1. inergatief 's ochtends langer slapen dan normaal
    • Ik ga morgen zeker uitslapen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.