uitslapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·sla·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitslapen
sliep uit
uitgeslapen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitslapen

  1. inergatief 's ochtends langer slapen dan normaal
    • Ik ga morgen zeker uitslapen. 
     Na twee dagen uitslapen was ik nog steeds niet klaar om de bergen weer in te gaan en besloot derhalve naar het woestijndorpje Bishop te liften, 60 kilometer verderop, waar ik een aantal bekende gezichten hoopte te zien in het beroemde Hostel California.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be