uitputting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·put·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitputting uitputtingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitputting v

  1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
    • 42 kilometer hardlopen veroorzaakt bij veel mensen enorme uitputting. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.