uitputten

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·put·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitputten
putte uit
uitgeput
zwak -t volledig

Werkwoord

uitputten

  1. overgankelijk volledig leeghalen
    • Zij putten de mijn volledig uit. 
  2. overgankelijk alle energie opgebruiken
    • De hele dag hardlopen putte hem behoorlijk uit. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be