Naar inhoud springen

uithalen

Uit WikiWoordenboek
  • uit·ha·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithalen
haalde uit
uitgehaald
zwak -d volledig

uithalen

  1. overgankelijk (iets ~) een opmerkelijke daad plegen
    • Hij heeft weer flink kattenkwaad uitgehaald. 
  2. overgankelijk (iets ~) een brei- of haakwerkje ontdoen
    • Ik heb een stuk weer uitgehaald omdat ik een steek had laten vallen. 
  3. inergatief (~ naar) een slag doen, al of niet overdrachtelijk
    • De dominee van de kandidaat haalde flink naar zijn eigen kerkgenoot uit. 
  4. iets nemen of ontvangen
     Hij noemt Boer "een grootheid van wie ik het meest heb kunnen leren". Van de Laar: "Zijn belangrijkste kenmerk was zijn liefde voor natuur. Daar haalde hij energie en voldoening uit en dat liet hij terugzien op het bord."[1]
  5. overgankelijk leeghalen

naar iemand uithalen

deuithalenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uithaal
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be