turner

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tur·ner
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van turnen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord turner turners
verkleinwoord turnertje turnertjes

Zelfstandig naamwoord

turner m [1]

  1. (sport) iemand die de turnsport beoefend
    • Bram Verhofstad heeft zich geplaatst voor de finale op vloer. De 22-jarige turner kwam tot een score van 14.033 en zette daarmee de tweede score neer. Op ringen wist Verhofstad de finale niet te halen met een score van 12.200 en een zeventiende plek. Boudewijn de Vries kon zich met een score van 12.866 (zestiende) niet plaatsen voor de finale op voltige. Beide turners komen vrijdag nog uit op rek.[2] 
    • Toen alle grappen waren gemaakt over Epke Zonderhand (de Eenarmige Bandiet, Superman) ging het over de werkelijke waarde van het WK-optreden van de Nederlandse turner. Epke Zonderland was, ondanks zijn reuzenzwaai aan één arm, vicewereldkampioen rekstokturnen geworden, een status die hij ook in 2009 en 2010 genoot.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 23 november 2017
  3. Volkskrant John Volkers 10 oktober 2017