tiras

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·ras
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tiras tirassen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tiras v / m, o

  1. (jachttaal) metersgroot rechthoekig net om vogels als patrijzen, kwartels, snippen en leeuweriken te vangen
      Thans plaatsen zij zich ieder op gelijken afstand ter weerszijden van den boom; elk houdt een eind van het net ter hoogte van den schouder vast en het tiras achter zich slepend gaat het nu recht op den grenssteen aan dwars door de weide.[4]
  2. (bouwkunde)(verouderd) tras, gemalen tufsteen gebruikt als mortel voor metselwerk
      Wat heb ick al geslaeft om huysen op te bouwen,
    Met gevels van arduyn, met hoogh-verheven schouwen,
    Met kelders van tiras?
    [5]
Synoniemen
  1. [1] sleepnet
  2. [1] treknet
Verwante begrippen

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. tiras op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 20 mei 2020 Weblink bron D.M. Maaldrink “Uit de Graafschap, schetsen uit het Geldersche dorpsleven.” (1934), W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 2e druk, p. 79
  5. Bronlink geraadpleegd op 20 mei 2020 Weblink bron Adriaen Poirters “Heyligh hof vanden keyser Theodosius.” (1696), Henrick Thieullier, Antwerpen, p. 49
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be



Frans

Werkwoord

vervoeging van
tirer

tiras

  1. tweede persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van tirer


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
tirar

tiras

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van tirar