tegelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

tegelijk

  1. op hetzelfde moment
    • Zij draaiden zich allebei plotseling om en liepen tegelijk naar de ijskraam terug. 
  2. in dezelfde periode
    • Volgens mij hebben zij tegelijk gestudeerd. 
  3. tevens.
    • Zij is arts en tegelijk schrijfster. 
  4. samen met iemand of iets anders
    • Als de timmerman toch komt, kun je tegelijk de rest van de meubels laten repareren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.