tegelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

tegelijk

  1. op hetzelfde moment
    • Zij draaiden zich allebei plotseling om en liepen tegelijk naar de ijskraam terug. 
  2. in dezelfde periode
    • Volgens mij hebben zij tegelijk gestudeerd. 
  3. tevens.
    • Zij is arts en tegelijk schrijfster. 
  4. samen met iemand of iets anders
    • Als de timmerman toch komt, kun je tegelijk de rest van de meubels laten repareren. 
     We besloten allemaal tegelijk af te dalen om elkaar tijdens de steile stukken bij te kunnen staan.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be