teddybeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

teddybeer
Uitspraak
Woordafbreking
  • ted·dy·beer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kinderspeelgoed’ voor het eerst aangetroffen in 1914 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord teddybeer teddyberen
verkleinwoord teddybeertje teddybeertjes

Zelfstandig naamwoord

teddybeer m

  1. zachte pluizige speelgoedbeer
    • Zij sliep tot haar twintigste nog altijd met een teddybeer in bed. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen