targets

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tar·gets
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

targets mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord target
     Maar na een week in de woestijn en 5.000 dollar lichter, zit je vaak gewoon weer op maandagochtend op kantoor in een vergadering over targets.[1]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

Engels

Zelfstandig naamwoord

targets mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord target

Werkwoord

targets

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van (to) target