taas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taas
enkelvoud meervoud
naamwoord taas
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

taas v/m

  1. (informeel) hoofd, kop
     De echte vondst van SuperTrash was trouwens de BN’ers-pet, zoals gedragen door filmster annex romancière Anna Drijver, hier op de voorste rij van de catwalk. We merkten enige ambivalentie inzake het hoofddeksel. Duidelijk is dat wie er geen kreeg, het liefst ter plekke dood wilde. Dat aspect was dus helemaal bingo. Maar dat de naam van de BN’er op de klep staat, doet weer afbreuk aan de veronderstelde bekendheid. Het waren dus vooral de al enigszins uitdovende sterretjes die hem op de taas zetten, dus hier moet duidelijk nog even over worden gebrainstormd.[1]
     Ik zeg het er maar meteen even bij: dit is nepnieuws. Anders hangt barones Karin Ollongren weer aan mijn taas. Maar het zou de op hol geslagen ChristenUnie-bewindsman Paul Blokhuis, die fijne coalitiepartner van barones Karin, sieren als hij daadwerkelijk het suikerfeest gaat aanpakken.[2]
  2. pin, spijker, kopspijker
  3. (informeel) penis
     Sex and the city, live. Meidenpraat, zo u wilt. Ook weinig politiek corrects aan. Alleen heeft geen van deze 'meiden' het opgeblazen ego om een meneer zomaar ongevraagd aan de taas te trekken, om met Van Kooten en De Bie te spreken.[3]

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Een show met een luchtje” (03/02/2012), HP de Tijd
  2. Bronlink Weblink bron “Nationaal Preventiebeleid: kabinet wil Suikerfeest verbieden” (19/10/2018), HP de Tijd
  3. Bronlink Weblink bron Marjolijn de Cocq en Hans van der Beek “Hoe ernstig is die 'kleedkamerpraat' van Donald Trump?” (15 oktober 2016), Het Parool
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be