stug

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stug
[1], [3] stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stug stugger stugst
verbogen stugge stuggere stugste
partitief stugs stuggers -
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
[2] stellend
onverbogen stug
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

stug

  1. weinig meegevend, weerbarstig
    • Het valt niet mee die stugge vacht te borstelen. 
  2. weinig waarschijnlijk, niet te geloven
    • Dat lijkt me echt stug. 
  3. (met name van personen) stijf, niet tegemoetkomend, stuurs
    • De stugge houding van de vakbonden. 
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen