struikgewas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • struik·ge·was
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord struikgewas struikgewassen
verkleinwoord struikgewasje struikgewasjes

Zelfstandig naamwoord

struikgewas o

  1. (plantkunde) Een groep van bij elkaar staande struiken
    • De bal verdween in het struikgewas. 
     Waakzaam schoten mijn ogen alle kanten op, speurend naar verborgen slangen in het struikgewas.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be