stranden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stran·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stranden
strandde
gestrand
zwak -d volledig

Werkwoord

stranden

  1. (ergatief) aan de grond vastlopen
    Het schip strandde juist voor de havengeul.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stranden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord strand


Deens

Woordafbreking
  • stran·den
Naar frequentie 1904

Zelfstandig naamwoord

stranden, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van strand


Noors

Woordafbreking
  • stran·den
Naar frequentie 2615

Zelfstandig naamwoord

stranden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van strand
Schrijfwijzen