domheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van dom en met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord domheid domheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

domheid v

  1. het dom zijn
    • De domheid van mannen valt soms met geen pen te beschrijven. 
  2. het dom doen terwijl men beter zou moeten weten
    • Door haar domheid is de wasmachine stuk. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.