stielman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stiel·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stielman stiellui
stielmannen
stiellieden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stielman m [1]

  1. een vakman, iemand met een stiel
    • De verliefdheid waaide niet zo snel over, dus Sofie ging op zoek naar een stielman die haar geliefkoosde materiaal kon plaatsen. ‘Dat bleek een moeilijke opdracht – veel vaklui werken enkel met de merken die ze zelf verdelen – maar ik heb uiteindelijk toch iemand gevonden.’ En zo kreeg Sofies appartement een krachtig en definiërend handelsmerk mee.[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen