staarde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • staar·de

Werkwoord

vervoeging van
staren

staarde

  1. enkelvoud verleden tijd van staren
    • Ik staarde. 
    • Jij staarde. 
    • Hij, zij, het staarde.