heipaal

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

aanbrengen van heipalen
de 100.000 ste heipaal van Amsterdam
Uitspraak
Woordafbreking
  • hei·paal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heipaal heipalen
verkleinwoord heipaaltje heipaaltjes

Zelfstandig naamwoord

heipaal m [1]

  1. (bouwkunde) funderingspaal die diep de grond in geboord of geslagen wordt om een stevig fundament te zijn voor de bouwwerken die men er bovenop wil maken
    • Operatie Braakhoek hield in: een provisorisch hek direct achter het perceel, een vrachtwagen vol zand, een stuk of wat betonnen platen, een groot aannemersbord waarop stond WOONTOREN DE STERRENBERG, GEREED MEDIO 2015, en verborgen concertboxen met subwoofer en heipaalgeluiden uit de New-Age er Mindfulness-selectie van iTunes. En inderdaad, nadat Grim op de beveiligingscamera's waar de Rijksweg het dorp binnenliep de wagens had zien naderen en het signaal had gegeven, eiste het bonken alle aandacht op. Samen met het geluid van de klopboor waarmee tegelzetter Henk Sebes lukraak gaten in de betonplaten boorde, had het wel iets weg van het bouwen van onzichtbare luchtschepen.[2] 
    • Bewoners die een jaar geleden nog vrolijk samen de eerste heipaal sloegen (dat schept een band), zouden nu liefst de aannemer de grond in timmeren. Tot aan het puntje van zijn stalen neus. Ook dat schept een band. [3]  
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Olde Heuvelt, Thomas
    HEX 2016 ISBN 978-90-245-7334-9 pagina 22-23
  3. NRC Marc Hijink 26 augustus 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be