soigneur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • soig·neur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord soigneur soigneurs
verkleinwoord soigneurtje soigneurtjes

Zelfstandig naamwoord

soigneur m [1]

  1. (sport) (beroep) iemand die soigneert (verzorger van lichamelijke en geestelijke conditie van sportlui)
Verwante begrippen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen