snul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snul
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snul snullen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

snul m [2]

  1. een heel eenvoudige, domme man
    • Klaar voor een nieuw wielerverhaal: zo zit Tom Boonen (28) met zijn vriendin Lore Vandeweyer (25) voor ons in Monaco. Twee mensen die geluk uitstralen. Een koppel met een ronkende naam, dat wel, maar tegelijk zo doodgewoon gewoon. 'Soms denk ik: waarover gaat het? Over een snul als ik.' [3] 
    • Een stelletje yuppievrienden dat elke woensdag bij elkaar komt om samen te eten en een spelletje om ter grootste snul uitnodigen te spelen; daarover gaat de nieuwe voorstelling Smullen en snullen van theaterwerkgroep Aorta. Je kan gaan kijken op vrijdag-, zaterdagavond en zondagmiddag. [4] 
    • Johan Vansummeren had het vooral over het waanzinnige eerste koersuur. 'Het is echt hard werken tot de juiste groep wegrijdt', zei hij. 'Daarvoor zat er altijd wel een snul tussen die je liever niet ziet meegaan. Daarna reden we rustig rond tot CSC eensklaps besliste om het tempo de hoogte in te jagen op die berg van eerste categorie. Ik begreep eigenlijk niet goed waarom ze dat deden.' [5] 
  2. iemand die uit een tovenaarsfamilie komt, maar niet kan toveren (uit de boeken over Harry Potter)
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen