smokkel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smok·kel
enkelvoud meervoud
naamwoord smokkel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

smokkel m [1]

  1. het smokkelen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
smokkelen

smokkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smokkelen
    • Ik smokkel. 
  2. gebiedende wijs van smokkelen
    • Smokkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smokkelen
    • Smokkel je? 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal