nalatig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·la·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nalatig nalatiger nalatigst
verbogen nalatige nalatigere nalatigste
partitief nalatigs nalatigers -

Bijvoeglijk naamwoord

nalatig

  1. niet gedaan hebbend wat eigenlijk wel zou moeten
    • De onzorgvuldige arts is nalatig geweest in het geven van goede voorlichting aan de patiënt. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.