sleet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sleet
enkelvoud meervoud
naamwoord sleet -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sleet v/m

  1. slijtage
    Er zit toch wat sleet op de stembanden van die oude zanger.
    Na vijfentwintig jaar huwelijk zit de sleet er nog steeds niet in.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slijten

sleet

  1. enkelvoud verleden tijd van slijten
    Ik sleet.
    Jij sleet.
    Hij, zij, het sleet.
vervoeging van
sleeën

sleet

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleeën
    Jij sleet.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleeën
    Hij sleet.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van sleeën
    Sleet!