sleeën

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sleeën.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slee·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sleeën
sleede
gesleed
zwak -d volledig

Werkwoord

sleeën

  1. met een slee door de sneeuw glijden
    • Ik neem een dag vrij om samen met mijn kinderen te gaan sleeën. 
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

sleeën mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slee

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be