skioord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

skioord
Uitspraak
Woordafbreking
  • ski·oord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord skioord skioorden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

skioord o

  1. een plaats met veel mogelijkheden om wintersport te bedrijven
    • De Amerikaanse skiester Mikaela Shiffrin heeft vandaag haar 35ste zege gevierd in de wereldbeker. Ze won in Courchevel het onderdeel parallel slalom. De 22-jarige Shiffrin was een dag eerder in het Franse skioord ook al de beste op de reuzenslalom. Ze verstevigde met die dubbele overwinning haar leidende positie in de wereldbekerstand. [1] 
    • Een man die afgelopen dinsdag vermist raakte in het populaire Franse skioord Risoul, is gisteravond dood teruggevonden. Volgens de politie doen de voetsporen rond zijn lichaam vermoeden dat hij is verdwaald op weg naar huis na een avondje uit. Vandaag wordt een autopsie uitgevoerd op het lichaam. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen