seinhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

seinhuis
Uitspraak
Woordafbreking
  • sein·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord seinhuis seinhuizen
verkleinwoord seinhuisje seinhuisjes

Zelfstandig naamwoord

seinhuis o

  1. plaats waar de seinen van een spoorweg bedient worden
    • "De spoorwegtechniek van de toekomst maakt vanaf 2025 de inzet van meer treinen mogelijk met als gevolg een vollere dienstregeling, minder storingen, betere radioverbinding en accuratere reizigersinformatie", aldus Meyer. De SBB is bezig met de ontwikkeling van een digitaal seinhuisje, wil roltrappen, liften en het licht op de stations op afstand gaan regelen en klanten voor het vrachtvervoer op de hoogte houden van onder meer de temperatuur en het schudden van de wagons als dat van belang is voor de lading. [1] 
    • Het station en het seinhuis werden ontruimd. De politie had het gebied gedurende een uur volledig afgezet en is een onderzoek begonnen. Onduidelijk is nog of er daadwerkelijk een bom is aangetroffen. [2] 
    • De discussie over het voortleven van het verleden leeft breder. Chris van de Bergh, die het hele project voor de Gastelse filmclub én voor Bresser vastlegde, verwees naar de verplaatsing van het monumentale seinhuis op het Roosendaalse rangeerterrein in 2015. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen