secundus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • se·cun·dus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord secundus secundi
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

secundus m

  1. tweede persoon in een rangschikking
    • "Hij haalde zijn diploma met een gemiddelde van 7,89", zegt Rychlo. "Daarmee was hij de secundus."
      "En de primus?" vraag ik, die om een of andere reden niet wil dat hij alles weet.
      "Had 7,90."
       [2]
  2. iemand die als plaatsvervanger of opvolger is aangewezen
    • De synode besloot gisteren dat uit elk particulier ressort twee primi-deputaten en één secundus worden benoemd. [3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Rangtelwoord (lat)
0
1 11 10 100 103
2
2
12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Woordherkomst en -opbouw

Rangtelwoord

sĕcŭndus

  1. tweede
    «Milo non erat actor secundarum, sed primarum partium.»
    Milo speelde niet de tweede rol, maar de eerste.
    «Iaculator Atheniensis secundum locum obtinuit.»
    De Atheense speerwerper behaalde de tweede plaats.
Opmerkingen
  • Alter is het normale Latijnse woord voor "tweede". Secundus wordt enkel gebruikt in een hiërarchie, zoals die van een wedstrijd of een toneelstuk.

Bijvoeglijk naamwoord

sĕcŭndus

  1. volgend

Verwijzingen