schuifpui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

schuifpui naar balkon
Uitspraak
Woordafbreking
  • schuif·pui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuifpui schuifpuien
verkleinwoord schuifpuitje schuifpuitjes

Zelfstandig naamwoord

schuifpui v/m

  1. een beweegbare glazen want waardoor er een open verbinding ontstaat tussen de kamer en de tuin of het balkon
    • Daarom heb ik een kantoor op een volkstuinencomplex. Een groot deel van het jaar heb ik de schuifpui open. En ik loop op blote voeten. Een groot kantoorpand met veel personeel op een saai industrieterrein past niet bij mij.” [1] 
    • ,,Oh nee, niet bij mij”, schreeuwde Olivier, toen hij op 7 oktober 2017 drie mannen met capuchons over de schutting van zijn achtertuin in Nieuw Vennep zag klimmen. Ze forceerden de schuifpui en probeerden binnen te komen, maar vergisten zich in de kracht van de zeventiger. [2] 
    • Het probleem met geluid ontstaat wanneer je er niet aan kunt ontsnappen. Misschien is toegang tot stilte wel net zo fundamenteel als schone lucht en schoon drinkwater. In een wereld die bol staat van de herrie (en een overheid die dit niet zo hoog op z’n lijstje heeft staan) kun je dat alleen maar zelf regelen. De hei op en de duinen in. Muziek en televisie uit. Mediteren en op retraite. Slapen met oordopjes. Driedubbel glas in je schuifpui zetten. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen