schaafsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaaf·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schaafsel schaafsels
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schaafsel o

  1. houtkrul die vrijkomt door het effen schaven van een plank
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.