schaven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schaven
schaafde
geschaafd
zwak -d volledig

Werkwoord

schaven

  1. (overgankelijk) gladmaken door middel van een schaaf
    Kun je dat even voor mij schaven?
  2. (wederkerend) verwonden door wegscheuring van de huid
    Ik schaafde me gisteren.
  3. (overgankelijk) door middel van een schaaf in plakjes snijden
    Hij kon de kaas erg goed schaven.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schaven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schaaf