schaven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schaven
schaafde
geschaafd
zwak -d volledig

Werkwoord

schaven

  1. overgankelijk gladmaken door middel van een schaaf
    Kun je dat even voor mij schaven?
  2. wederkerend verwonden door wegscheuring van de huid
    Ik schaafde me gisteren.
  3. overgankelijk door middel van een schaaf in plakjes snijden
    Hij kon de kaas erg goed schaven.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schaven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schaaf

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl