santé

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • san·té
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: gezondheid!’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • van Frans santé [2][3]

Tussenwerpsel

santé!

  1. op je gezondheid! (heilwens uitgesproken bij het samen nuttigen van sterke drank)
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  santé     la santé     [santés]]     les santés  

Zelfstandig naamwoord

santé v

  1. gezondheid (geen meervoud)
  2. toost
  3. (geschiedenis) plaats bij zeehaven waar passagiers uit besmette gebieden in quarantaine worden gehouden
Overerving en ontlening