samenvallen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenvallen
viel samen
samengevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

samenvallen

  1. (ergatief) gelijktijdig plaatsvinden
    De joodse en de islamitische feestdag vielen dat jaar samen.