saldo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sal·do
enkelvoud meervoud
naamwoord saldo saldi
saldo's
verkleinwoord saldootje saldootjes

Zelfstandig naamwoord

saldo o

  1. het eindbedrag wanneer alle tegoeden en verplichtingen in rekening gebracht zijn
    Het saldo is altijd nog flink positief.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
saldar

saldo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van saldar